Een verkeerde interpretatie van de wet op het eenheidsstatuut zorgt voor verschillende opzegtermijnen voor arbeiders en bedienden die zelf ontslag nemen. Nochtans was de oorspronkelijke bedoeling van die wet net de gelijkschakeling tussen beide. Het wetsvoorstel van cd&v-Kamerlid Nathalie Muylle dat door de plenaire vergadering unaniem werd goedgekeurd werkt die ongelijkheid weg en voert voor alle werknemers een maximale wopzegtermijn van 13 weken in.

 

Arbeiders

Het eenheidsstatuut van 2014 beoogde het gelijktrekken van de opzegtermijn van bedienden en arbeiders tot maximaal 13 weken. Voor wie reeds vóór de invoering aan de slag was, werd een overgangsregeling voorzien waarbij de opzegtermijn van de eerdere regeling en de opzegtermijn van de nieuwe regeling werden opgeteld, geplafonneerd op 13 weken.

In de wet werd die berekening echter enkel voor bedienden expliciet opgenomen, waardoor werkgevers die maximumtermijn, nochtans ook bedoeld voor arbeiders, ruimer interpreteerden. Dat leverde opzegtermijnen voor arbeiders op die tot 2 maanden langer duurden dan de opzegtermijn van bedienden met dezelfde anciënniteit.

Het goedgekeurde wetsvoorstel verduidelijkt dan ook de formulering van de bepalingen rond de opzegtermijn van het eenheidsstatuut zodanig dat er geen misverstand meer over kan bestaan: de maximale termijn van de opzegperiode in het geval de werknemer ontslag neemt kan ook voor arbeiders maximaal 13 weken bedragen.

“Het eenheidsstatuut heeft als doel om arbeiders en bedienden op een gelijke manier te behandelen. Als we in de praktijk merken dat dat niet wordt nageleefd, moet de wet verduidelijkt worden. Een kleine aanpassing in de wetgeving maakt zo een groot verschil voor veel mensen die van job willen veranderen.”

 

Bedienden

De opzegtermijnen van hogere bedienden waren voor de komst van het eenheidsstatuut (2014) langer dan die van arbeiders. Bij de overgangsregeling voor deze groep werd wel wettelijk vastgelegd dat de maximale opzegtermijn meer dan 13 weken kan bedragen wanneer de vroegere en nieuwe regeling bij elkaar worden opgeteld. Zo kon de opzegtermijn van bedienden met de hoogste lonen tot 6 maanden oplopen wanneer ze zelf ontslag nemen.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde echter in 2018 dat deze overgangsregeling in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Er mag geen onderscheid gemaakt worden tussen hogere en lagere bedienden. Met het wetsvoorstel wordt deze overgangsregeling geschrapt uit de wet op het eenheidsstatuut, waardoor de opzegtermijn voor alle bedienden voortaan eveneens maximaal 13 weken kan bedragen.

 

Positief advies van de NAR

De nieuwe regeling zorgt volgens de Nationale Arbeidsraad voor rechtszekerheid en maakt komaf met uiteenlopende interpretaties van de wet. Hun advies was dan ook unaniem positief. Op vraag van diezelfde NAR werd rekening gehouden met een redelijke termijn van 6 maanden voor de inwerkingtreding van deze aangepaste regeling.

“Mijn wetsvoorstel legt eenduidig vast dat een opzegtermijn nooit langer dan dertien weken kan duren wanneer een werknemer zelf ontslag neemt. Met deze verduidelijking weten werknemers waar ze aan toe zijn als ze van job veranderen. In een efficiënte arbeidsmarkt is er ook vlotte arbeidsmobiliteit, zeker in tijden van arbeidskrapte. De nieuwe regeling werkt drempels in de overgang tussen jobs weg.”